Click here to load reader

Engels A1 Lesson 3 - Laudius...Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3 3 7. Luister nu nog een keer naar het gesprek en controleer of u alles correct hebt uitgesproken

  • View
    4

  • Download
    0

Embed Size (px)

Text of Engels A1 Lesson 3 - Laudius...Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3 3 7....

  • © Copyright Laudius 02

    Engels A1

    Lesson 3

    Internationale medebewoners - International roommates

    Index

    3.1 Inleiding ................................................................................................. 2

    3.2 Internationale medebewoners ............................................................... 2

    3.3 Luistervaardigheid: vragen stellen ......................................................... 5

    3.4 Kennis van land en volk: stereotypen .................................................... 5

    3.5 Grammatica ........................................................................................... 6

    3.6 Woordenschat: getallen van 11 tot 30 ................................................... 9

    3.7 Oefenopgaven ....................................................................................... 9

    3.8 Samenvatting ......................................................................................... 10

    3.9 Huiswerkopgaven .................................................................................. 11

    3.10 Antwoorden oefenopgaven .................................................................... 13

    3.11 Woordenlijst ........................................................................................... 16

  • Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3

    2

    Les drie – Lesson three

    Engels voor beginners – niveau 1

    Internationale medebewoners - International roommates

    3.1 Inleiding

    We vinden het leuk om u in les 3 opnieuw te mogen begroeten. Nu weet u al hoe u zich kunt voorstellen en over uw beroep kunt spreken. Vandaag spreken we erover waar mensen vandaan komen en hoe internationaal de Engelse taal is. Bent u er klaar voor? Laten we dan verder gaan!

    Als u de volgende les doorgewerkt hebt, kunt u:

    In gespreksituaties Specifieke doelen per gespreksituatie

    – vragen naar afkomst en nationaliteit;

    – de eigen nationaliteit en die van anderen identificeren en vermelden;

    – persoonlijke gegevens van de anderen identificeren en vermelden;

    – het beroep van de anderen identificeren en vermelden.

    Grammatica:

    – vragen met vragende voornaamwoorden;

    – vragen met to do;

    – de zinsvolgorde;

    – de ontkennende zinsvolgorde;

    – bijvoeglijke naamwoorden;

    – werkwoord to become. Woordenschat:

    – getallen 11 tot 30;

    – nationaliteiten. Kennis van land en volk:

    – stereotypen.

    3.2 Internationale medebewoners

    3. Luister minstens twee keer naar de tekst van Paul over zijn woning en zijn medebewoners zonder mee te lezen.

    4. Misschien kent u al enkele woorden? Welke woorden in de tekst begrijpt u?

    _________________ _________________ _________________

    _________________ _________________ _________________

    5. Lees bij de derde keer luisteren de tekst mee. Probeer daarbij om de nationaliteit van Paul en zijn medebewoners te begrijpen.

    6. Probeer bij de vierde keer de tekst hardop na te spreken. Druk steeds op de pauzeknop na een zin voor uw uitspraakoefening.

    CD 1 Track 15

  • Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3

    3

    7. Luister nu nog een keer naar het gesprek en controleer of u alles correct hebt uitgesproken.

    De vertaling van de tekst vindt u onder 3.10 Antwoorden oefenopgaven. Probeer eerst om de oefeningen zonder hulp van de vertaling te maken. Houd moed, u kunt het!

    Paul and his roommates

    Good morning, my name is Paul. I am English and I live in London, a wonderful and very cosmopolitan city. I live in a part of London called Camden. Camden is very popular for tourists, we have many markets and shops. I am studying languages and literature at the university.

    Here in Camden, I live in a house together with Ian, Sarah, Daniel, Henrik and Rosalie. Ian is Irish, he is from Dublin. He is a veterinarian and works in a small hospital for animals in London. Sarah is German. She works in London as a journalist and she comes from Munich. Daniel is French. He is from Paris, the capital of France, and he works as a computer engineer here in the city. Henrik is Swedish; he shares a room with his girlfriend Rosalie. Henrik works as a taxi driver, he is 23 years old. Rosalie is Spanish; she is from Girona, a small town close to Barcelona. She works as a waitress in a pub around the corner from our house. You see, my house is very international!

    8. Kunt u al de namen en de nationaliteit bij de personen rangschikken? Probeer het dan eens!

    Beroep Arbeidsplaats Herkomst Paul Ian veterinarian Sarah Germany Daniel in the city Henrik Rosalie

  • Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3

    4

    9. Landen en nationaliteiten: laten we het hebben over het thema aardrijks-kunde! In de vorige opgave heeft u al enkele landennamen en nationalitei-ten leren kennen. Probeer nu om de volgende tabel af te maken met de nationaliteiten en de landennamen!

    Als u het even niet meer weet, kunt u het ontbrekende woord natuurlijk opzoeken in de woordenlijst. Veel succes!

    Country / Land Nationality/Nationaliteit 1 Swedish 2 Swiss 3 Italian 4 Polish 5 Russian 6 United States of America 7 Mexico 8 Columbian 9 Peruvian 10 Bolivian 11 Chilean 12 Turkish 13 Chinese 14 Argentina 15 German 16 Dutch 17 France 18 English 19 Spain 20 Portuguese 21 Japanese 22 Egyptian

  • Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3

    5

    3.3 Luistervaardigheid: vragen stellen

    Voor deze oefening is het een vereiste dat u eerst het grammaticale gedeelte 3.5 over de vragende voornaamwoorden en de vraagstelling met to do doorwerkt en goed onthoudt.

    1. Beluister de volgende zinnen en probeer te begrijpen of er een vragend

    voornaamwoord wordt gebruikt, en zo ja, welk.

    2. Schrijf de vragende voornaamwoorden op die u begrijpt. Let op: er zijn ook vragen zonder vragend voornaamwoord, dan noteert u de vorm van to do!

    1. ____________________

    2. ____________________

    3. ____________________

    4. ____________________

    5. ____________________

    3. Luister nu nog een keer naar de zinnen en controleer uw oplossing.

    4. Lees de zinnen vervolgens zelf hardop voor, deze keer zonder hulp van de opname.

    De geschreven tekst en het antwoord van deze opgave vindt u aan het eind van deze les onder 3.10 Antwoorden oefenopgaven.

    3.4 Kennis van land en volk: stereotypen

    Waar moet u aan denken, als u aan Engeland en de Engelsen denkt? Hier is wat korte informatie over de meest gangbare ideeën over land en mensen. U kunt die informatie ook gebruiken als lees- en uitspraakoefening.

    Lees ook hier de tekst weer hardop voor. Neem er de tijd voor; spreek duidelijk en zo vloeiend mogelijk. Neem uw gesproken tekst op en stuur deze opname op naar uw persoonlijk docent(e).

    De individuele beoordeling zal u helpen om uzelf voortdurend te verbeteren. Denk eraan om na de beoordeling de tekst nog een keer te beluisteren en het misschien ook nog een keer beter te doen!

    When you think about England, you think, for example, of the Queen, of the bobbies and of the red busses.

    CD 1 Track 16

  • Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3

    6

    The Queen of England

    Queen Elisabeth II is the Queen of England; her husband is Prince Philipp. When she dies, her son will become king. The Queen is very important for the English people. Many of them think she is an important part of England's culture! And do you know the Queen likes dogs? She has many Corgis.

    The bobbies

    When you walk through London or other cities in Britain, you can very often see the bobbies. You recognize the bobbies, who are policemen and policewomen, because of their interesting hats.

    The red busses of London

    You find the red busses only in London. They are typical for the city and drive through the streets night and day, for more than 50 years! The busses even have a name: they are called the Routemaster!

    De vertaling van de teksten vindt u onder 3.10 antwoorden oefenopgaven!

    3.5 Grammatica

    In het Engels kun je eenvoudige vragen op twee verschillende manieren formuleren. Aan de ene kant kun je een vragend voornaamwoord gebruiken, aan de andere kant is het mogelijk om een vraag in te leiden met het werkwoord to do. Vragen met een vragend voornaamwoord:

    Vragende voornaamwoorden hebben in het Engels dezelfde functie als in het Nederlands: ze leiden een vraag in. Daarbij gebruiken we in het Engels vragende voornaamwoorden zoals who? (Nederlands: wie?), how? (Nederlands: hoe?), what? (Nederlands: wat?), when? (Nederlands: wanneer?), where? (Nederlands: waar?) en why? (Nederlands: waarom?). Let altijd goed op en denk na over wat er precies bedoeld is. U vindt de vragende voornaamwoorden en de bijbehorende vertalingen overigens ook bij de woorden aan het eind van deze les.

  • Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3

    7

    Voorbeelden:

    Who are you? Wie bent u? How do you like your tea? How are you ?

    Wat (melk, suiker…)wilt u met uw thee? Hoe gaat het met je/u?

    What is your job? Wat is je/uw beroep? Where do you come from? Waar komt jij/u vandaan? When do you want to have lunch today? Wanneer wil je/wilt u vandaag lunchen? Why do you like your job? Waarom hou jij/houdt u van je/uw beroep? Vragen die ingeleid worden met het werkwoord to do:

    Vragen zonder vragend voornaamwoord worden in het Engels ingeleid met to do.

    Voorbeelden:

    Do you work as a teacher? Werk je/werkt u als leraar? Do you like to drink tea? Drink je/drinkt u graag thee? Do they know your parents? Kennen ze je ouders? Do you live in The Hague? Woon je/woont u in Den Haag? Does he work as a taxi driver? Werkt hij als taxichauffeur? Does she like to travel? Reist ze graag?

    De zinsvolgorde

    Laten we nu de grammatica eens bekijken. Veel studenten worden door het thema syntaxis, zinsvolgorde, eerst een beetje afgeschrikt, maar ik kan u verzekeren dat het niet alleen eenvoudig is, maar zelfs veel eenvoudiger dan de zinsvolgorde in het Nederlands. En die gebruikt u tenslotte dagelijks! De gebruikelijke volgorde in mededelende zinnen is altijd: Onderwerp – Gezegde (werkwoord) – Lijdend voorwerp

    Voorbeelden:

    Onderwerp Gezegde Lijdend voorwerp I like tea My husband likes coffee U ziet dat de zinsvolgorde in beide zinnen hetzelfde is. Het onderwerp duidt overigens het deel van de zin aan dat een handeling uitvoert, dus betrekking heeft op het werkwoord respectievelijk het gezegde. Het werkwoord respectievelijk het gezegde drukt deze handeling uit, in het voorbeeld dus het houden van.

    In plaats van een lijdend voorwerp kan echter ook een tijds- of plaatsaanduiding staan. Deze aanduidingen noemen we in het Engels adverbials (of time, of place, et cetera.). Deze bijwoordelijke bepalingen kunnen in plaats van het lijdend voorwerp staan.

    Dat klinkt op het eerste gezicht enigszins ingewikkeld. Zoals u aan het volgende voorbeeld kunt zien, kent u deze zinsvolgorde al: Onderwerp Gezegde Bijwoordelijke

    bepalingen

    He works in Holland Plaats She comes tomorrow Tijd The coat looks nice! Wijze

  • Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3

    8

    Het belangrijkste verschil tussen het Nederlands en het Engels is, dat in het Engels alleen deze zinsvolgorde mogelijk is. Terwijl we in het Nederlands ook zouden kunnen zeggen: Thee vind ik lekker, is dit in het Engels niet mogelijk. Dat betekent, dat het Engels minder combinaties kent wat de zinsvolgorde betreft dan het Nederlands, daarom is dit onderwerp in het Engels ook veel eenvoudiger! De ontkennende zinsvolgorde

    Bij de ontkenning wordt in het Engels, net zoals bij de vragen, een do not (met you, we, they) en een does not (met he, she, it) tussen het onderwerp en het gezegde gezet

    Voorbeelden: Onderwerp Gezegde Lijdend voorwerp. I do not like tea My husband does not like coffee Nu is het echter zo dat sprekers van alle talen meestal een beetje haast hebben, zodat u bij het spreken in plaats van een do not meestal de verkorte vorm don't respectievelijk in plaats van een does not een doesn't zult horen. Bij het schriftelijk taalgebruik is dit intussen ook gebruikelijk, alleen bij zeer formele teksten wordt nog de langere versie gebruikt. Bijvoeglijke naamwoorden

    Net als bij de structuur van de zin is ook het gebruik van bijvoeglijke naamwoorden in het Engels eenvoudiger dan in het Nederlands. In het Nederlands kunt u een bijvoeglijk naamwoord veranderen: lief wordt, bijvoorbeeld, lieve.

    Voorbeelden:

    Helen is een lief meisje. Helen is a sweet girl.

    Jack is een lieve jongen. Jack is a sweet boy.

    In het Engels gebeurt dat nooit!

    Voorbeelden:

    a nice coat Een mooie jas. a nice bag Een mooie tas. a nice house Een mooi huis.

  • Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3

    9

    3.6 Woordenschat: getallen van 11 tot 30

    Om de uitspraak te oefenen luistert u nu meerdere keren naar de getallen op de cd en spreekt u deze na. Natuurlijk mag u daarbij de tabel gebruiken om mee te lezen! 11 eleven 21 twenty-one 12 twelve 22 twenty-two 13 thirteen 23 twenty-three 14 fourteen 24 twenty-four 15 fifteen 25 twenty-five 16 sixteen 26 twenty-six 17 seventeen 27 twenty-seven 18 eighteen 28 twenty-eight 19 nineteen 29 twenty-nine 20 twenty 30 thirty

    3.7 Oefenopgaven

    Laten we alles nu eens in praktijk brengen! U vindt, zoals gewoonlijk, aan het eind van de les onder 3.10 de antwoorden oefenopgaven. Veel succes!

    a. Maak de zinnen af met de correcte vormen van do not/don’t respectievelijk does not/doesn’t!

    1. Does Emily have two sons? - No, she _________. She has three sons.

    2. Do you like coffee? No, I _________. I prefer tea.

    3. Do your parents live in Italy? – No, they _________. They live in Spain.

    4. Does your sister work in Poland? No, she _________. She works in Russia.

    5. Do your brothers travel to Switzerland this year? No, they _________. They travel to Finland.

    b. Vertaal naar het Nederlands:

    1. Where do you live?

    2. Where do you come from?

    3. Do you enjoy your job?

    4. Do you like London?

    5. Why don't you like tea?

    6. Where do your parents live?

    7. Twelve and thirteen are twenty-five.

    8. Which is your favourite country?

    9. Do you have friends in Denmark?

    10. Does your sister live in Italy?

    CD 1 Track 17

  • Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3

    10

    c. Vertaal naar het Engels:

    1. Ulrike is Duitse, ze komt uit München.

    2. Mijn ouders zijn Nederlanders, ze wonen in Amsterdam.

    3. Waar komt u vandaan?

    4. Mijn moeder is zevenendertig jaar oud.

    5. Woont u in Manchester?

    6. Nee, ik drink geen koffie, dank u wel.

    7. Bevalt het je in Nederland?

    8. Nee, ik houd meer van de zomer en de zon.

    9. Waar is je zus?

    10. Nee, mijn ouders wonen niet in Nederland. Ze wonen in Argentinië.

    3.8 Samenvatting

    Getallen 11 – eleven 16 – sixteen 21 – twenty-one 26 – twenty-six 12 – twelve 17 – seventeen 22 – twenty-two 27 – twenty-seven 13 – thirteen 18 – eighteen 23 – twenty-three 28 – twenty-eight 14 – fourteen 19 – nineteen 24 – twenty-four 29 – twenty-nine 15 – fifteen 20 – twenty 25 – twenty-five 30 – thirty Zinsvolgorde

    Onderwerp Gezegde Lijdend voorwerp Bijwoordelijke bepaling

    I like tea. He lives - in England. (Plaats) My brother comes - tomorrow. (Tijd) The house looks - nice. (Wijze) Zinsvolgorde bij ontkennende zinnen

    Onderwerp Ontkenning Gezegde Lijdend voorwerp / bijwoordelijke bepaling

    I do not/don’t like tea. He does not/doesn‘t like in England. My brother does not/doesn’t come tomorrow. The house does not/doesn‘t look nice.

  • Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3

    11

    Landen en nationaliteiten Sweden Swedish Bolivia Bolivian Switzerland Swiss Turkey Turkish Italy Italian China Chinese Poland Polish Germany German Russia Russian The Netherlands Dutch United States of America American France French Mexico Mexican Portugal Portuguese Columbia Columbian Japan Japanese England English Spain Spanish Bijvoeglijke naamwoorden

    The old man. Do you like my red car? The young child. The house looks very nice. Do you see the small bird? Tim is my little brother. Be careful, your tea is really hot!

    3.9 Huiswerkopgaven

    a. Kies uit de woordgroepen de passende elementen om zinnen te vormen! Denk er ook aan om bij een onderwerp in de 3e persoon enkelvoud een -s achter het werkwoord te zetten.

    Onderwerp Gezegde

    (werkwoord) Lijdend voorwerp/bijwoordelijke bepaling

    My father like, work live, walk

    in Holland, as a teacher, hot chocolate, to school every day I

    Peter My sister

    1.

    2.

    3.

    4.

    b. Vertaal naar het Nederlands

    1. Do not eat your brother's cake!

    2. Where does Janet live?

    3. My mother is thirty-six years old.

    4. Who is your favourite journalist?

    5. Does your sister go to school too?

  • Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3

    12

    c. Vertaal naar het Engels

    1. Eric is Fin, hij komt uit Helsinki.

    2. Rosalia is Spaanse, ze komt uit Madrid.

    3. Tuk is een Japanner, hij komt uit Tokyo.

    4. Zijn moeder is 39 jaar oud.

    5. Waar komen je ouders vandaan?

    6. Houd je van chocoladetaart?

    7. Ga je graag naar de bioscoop?

    8. Welk huis is dat van jullie?

    d. Luistervaardigheidsopgave

    1. Luister naar de volgende zinnen op de cd. Zet dan de woorden die in de volgende tekst ontbreken op de lege plekken. Natuurlijk kunt u de zin-nen meerdere keren beluisteren als u bij de eerste of tweede keer iets niet hebt verstaan.

    Good _______________ ! My _______________ is John.

    I _______________ in London, the capital of Britain. I work as a

    _______________, but the tourists often call me a _______________, which

    is a nickname for _______________ in England. I _______________

    working in London. It is a busy city with _______________ million people.

    My parents are _______________, they live in Dublin. My father works as a

    _______________, too. It is a family tradition!

    2. Luister naar de volgende korte gesprekken op de cd. Schrijf dan de

    ontbrekende informatie in de kolommen. Vergeet niet dat u de zinnen altijd meerdere keren kunt beluisteren, totdat u alles heeft verstaan.

    Spreker Land van herkomst

    Nationaliteit

    1. 2. 3. 4.

    e. Uitspraakoefening: lees de volgende vragen en beantwoord ze mondeling in volledige zinnen. Neem uw gesproken tekst op, sla de opname op en stuur het bestand aan uw cursusdocent/e.

    • Which country do you live in? • What is your favourite country? • Do you prefer coffee or tea? • How old are you? • Do you prefer chocolate or vanilla ice cream? • Where do you work?

    CD 1 Track 18

    CD 1 Track 19

  • Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3

    13

    • Do you prefer sun or rain? • Do you prefer summer or winter?

    3.10 Antwoorden oefenopgaven

    Bij les 3.2: Internationale medebewoners

    Vertaling:

    Goedemorgen, mijn naam is Paul. Ik ben Engelsman en woon in London, een prachtige en internationale stad. Ik woon in een deel van Londen dat Camden heet. Camden is zeer populair bij toeristen, we hebben veel markten en winkels. Ik studeer talen en literatuur aan de universiteit. Hier in Camden woon ik in een huis samen met Ian, Sarah, Daniel, Henrik en Rosalie. Ian is Ier, hij komt uit Dublin. Hij is dierenarts en werkt in een klein ziekenhuis voor dieren in Londen. Sarah is Duitse. Ze werkt in London als journaliste en ze komt uit München. Daniel is Fransman. Hij komt uit Parijs, de hoofdstad van Frankrijk, en hij werkt als computerdeskundige hier in de stad. Henrik is Zweeds, hij deelt een kamer met zijn vriendin Rosalie. Henrik werkt als taxichauffeur, hij is 23 jaar oud. Rosalie is Spaanse, ze komt uit Girona, een kleine stad in de buurt van Barcelona. Ze werkt als serveerster in een bar om de hoek van ons huis. Jullie zien dat mijn huis zeer internationaal is!

    1. Kunt u al de namen en de nationaliteit bij de personen rangschikken? Probeer het maar eens!

    Beroep Arbeidsplaats Herkomst

    Paul student of languages and literatures London University College England

    Ian veterinarian small hospital Ireland

    Sarah journalist Newspaper/TV channel Germany

    Daniel computer engineer city France

    Henrik taxi driver taxi and pub Sweden

    Rosalie waitress pub Spain (Girona)

  • Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3

    14

    2. Landen en nationaliteiten

    Country / Land Nationality/ Nationaliteit 1 Sweden Swedish 2 Switzerland Swiss 3 Italy Italian 4 Poland Polish 5 Russia Russian 6 United States of America American 7 Mexico Mexican 8 Columbia Columbian 9 Peru Peruvian 10 Bolivia Bolivian 11 Chile Chilean 12 Turkey Turkish 13 China Chinese 14 Argentina Argentinian 15 Germany German 16 The Netherlands Dutch 17 France French 18 England English 19 Spain Spanish 20 Portugal Portuguese 21 Japan Japanese 22 Egypt Egyptian

    Bij 3.3 Luistervaardigheid: vragen stellen

    1. Beluister de volgende zinnen en probeer te begrijpen of er een vragend voornaamwoord wordt gebruikt, en zo ja, welk.

    2. Schrijf de vragende voornaamwoorden op, die u begrijpt. Let op: er zijn ook vragen zonder vragend voornaamwoord, dan noteert u de vorm van to do!

    1. Good morning! How can I help you?

    2. Hello? What is your name? I cannot understand you!

    3. Do you like working as a teacher?

    4. Mum, where is my telephone? I can't find it!

    5. Does your sister live in Edinburgh?

    Bij 3.4 Kennis van land en volk: stereotypen Vertaling

    De koningin van Engeland

    Queen Elisabeth is de koningin van Engeland, haar echtgenoot is prins Philipp. Als ze sterft, zal haar zoon koning worden. De koningin is heel belangrijk voor de mensen in Engeland. Velen van hen denken dat ze voor de Engelse cultuur zeer belangrijk is! En wist u dat de koningin van honden houdt? Ze heeft veel Corgis.

    CD 1 Track 16

  • Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3

    15

    De bobby’s

    Als u door Londen of door andere steden in Groot Brittannië loopt, kunt u heel vaak de bobby's zien. U herkent de bobby's, die politieagenten en politieagentes zijn, aan hun interessante hoeden.

    De rode bussen van Londen

    U vindt de rode bussen alleen in London. Ze zijn kenmerkend voor de stad en rijden dag en nacht door de straten, sinds meer dan 50 jaar. De bussen hebben zelfs een naam: ze worden Routemaster genoemd! Bij 3.7 oefenopgaven

    a. Maak de zinnen af met de correcte vormen van do not/don’t respectievelijk does not/doesn’t!

    1. Does Emily have two sons? – No, she doesn't. She has three sons.

    2. Do you like coffee? – No, I don't. I prefer tea.

    3. Do your parents live in Italy? – No, they don't. They live in Spain.

    4. Does your sister work in Poland? – No, she doesn't. She works in Russia.

    5. Do your brothers travel to Switzerland this year? No, they don't. They travel to Finland.

    b. Vertaal naar het Engels:

    1. Waar woont u/woon jij?

    2. Waar komt u/ kom jij vandaan?

    3. Bevalt uw/je beroep u?/Houdt u/ hou je van uw/je beroep ?

    4. Bevalt Londen u/je?

    5. Waarom houdt u/houd je niet van thee?

    6. Waar wonen uw/je ouders?

    7. Twaalf plus dertien is vijfentwintig.

    8. Wat is jullie lievelingsland?

    9. Heeft u/Heb je vrienden in Denemarken?

    10. Woont uw/Woont je zus in Italië?

    c. Vertaal naar het Nederlands:

    1. Ulrike is German, she is from München.

    2. My parents are Dutch, they live in Amsterdam.

    3. Where do you come from?

    4. My mother is thirty-seven years old.

    5. Do you live in Manchester?

    6. No, I do not drink coffee, thank you.

    7. Do you like Holland?

    8. No, I like the summer and the sun better.

    9. Where is your sister?

    10. No, my parents do not live in Holland. They live in Argentina.

  • Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3

    16

    3.11 Woordenlijst

    always altijd

    animal dier

    around om, rondom

    around the corner om de hoek

    bag tas

    become worden

    bird vogel

    bus bus

    cake taart, cake

    Camden stadsdeel van Londen

    chocolate chocolade

    hot chocolate warme chocolademelk, cacao

    cinema bioscoop

    coat jas, jack

    coffee koffie

    cold koud

    come komen

    computer engineer computerdeskundige, ingenieur

    Corgi Corgi (hondenras)

    corner hoek

    country land, staat

    day dag

    English Engels, Engelsman, Engelse

    enjoy houden van, genieten van

    evening avond

    every ieder

    every day iedere dag

    family familie, gezin

    famous beroemd

    French Frans, Fransman, Française

    from van, uit

    German Duits, Duitse

    hat hoed

    here hier

    hot heet

    ice cream ijs

  • Internationale medebewoners - International roommates Lesson 3

    17

    Irish Iers, Ier, Ierse

    literature literatuur

    look eruitzien, kijken

    lunch middageten

    nice mooi, aardig

    nickname bijnaam

    night nacht

    often vaak

    popular beroemd, populair

    prefer de voorkeur geven aan, prefereren

    rain regen

    ready klaar

    Are you ready? Ben je klaar?

    singer zanger, zangeres

    Spanish Spaans, Spanjaard, Spaanse

    stereotype vooroordeel, stereotype

    street straat

    summer zomer

    sun zon

    Swedish Zweeds, Zweed, Zweedse

    tea thee

    through door

    tired moe

    tomorrow morgen

    town plaats, gemeente

    tradition traditie

    family tradition familietraditie

    travel reizen

    typical kenmerkend

    vanilla vanille

    very zeer

    visit bezoeken

    walk lopen, wandelen

    where waar

    Where are you from? Waar kom je vandaan?

    winter winter

    Internationale medebewoners - International roommates3.1 Inleiding3.2 Internationale medebewoners3.3 Luistervaardigheid: vragen stellen3.4 Kennis van land en volk: stereotypen3.5 Grammatica3.6 Woordenschat: getallen van 11 tot 303.7 Oefenopgaven3.8 Samenvatting3.9 Huiswerkopgaven3.10 Antwoorden oefenopgaven3.11 Woordenlijst